De of het?

Klik op een kaart om hem te markeren tijdens het leren.

de
🌍🚲🍎

Wanneer gebruik je de?

Hieronder staan categorieΓ«n waarvoor je meestal de gebruikt.

πŸ‘₯

Meervoud

Alle zelfstandige naamwoorden in het meervoud krijgen de, ook als het enkelvoud een het-woord is.

  • de bergen (het berg β†’ meervoud: de bergen)
  • de minuten
  • de meisjes (het meisje β†’ de meisjes)
  • de borden
  • de huizen (het huis β†’ de huizen)
  • de kinderen (het kind β†’ de kinderen)
πŸ§‘β€πŸ¦°

Mensen en beroepen

Woorden voor personen en beroepen zijn bijna altijd de-woorden.

  • de politieman
  • de tante
  • de buurman
  • de leraar
  • de verpleegster
  • de student
🍌🍎

Groente en fruit

De meeste namen van groente en fruit zijn de-woorden.

  • de bloemkool
  • de banaan
  • de tomaat
  • de appel
  • de aardappel
  • de sinaasappel
πŸš²πŸš†β›΅

Vervoer

Veel vervoermiddelen zijn de-woorden.

  • de fiets
  • de trein
  • de boot
  • de tram
  • de bus
⚠ uitzondering: het vliegtuig ✈️
πŸ’»πŸ†’

Engelse woorden

Veel leenwoorden uit het Engels krijgen de.

  • de laptop
  • de airco
  • de smartphone
  • de browser
⚠ uitzondering: het weekend
⛰️

Bergen

Namen van gebergtes en grote bergen zijn meestal de.

  • de Alpen
  • de Mont Blanc
  • de Andes
  • de Kilimanjaro
🌊

Rivieren

Rivieren zijn bijna altijd de.

  • de Rijn
  • de Maas
  • de Amazone
  • de Dnjepr
πŸ”€

Woorden op -ing

Woorden die eindigen op -ing zijn meestal de.

  • de bedoeling
  • de daling
  • de opening
  • de betaling
πŸ“…

Dagen en maanden

Dagen van de week en maanden zijn de-woorden.

  • de maandag
  • de zondag
  • de januari
  • de juli
het
πŸŽΎπŸ§ πŸ”

Wanneer gebruik je het?

Hieronder staan categorieΓ«n waarvoor je meestal het gebruikt.

πŸ§’βž‘οΈπŸ‘§πŸ»

Diminutieven

Woorden op -je, -tje, -pje, -etje, -kje zijn altijd het.

  • het momentje
  • het stoeltje
  • het huisje
  • het boompje
Dus ook:
  • het meisje
πŸƒβ€β™‚οΈπŸ’¬

Werkwoorden als zelfstandig naamwoord

Een infinitief als zelfstandig naamwoord is een het-woord.

  • het zeggen
  • het springen
  • het lezen
  • het koken
🎾🎲

Sporten en spellen

  • het tennis
  • het hardlopen
  • het scrabble
  • het voetbal
πŸ—£οΈπŸŒ

Talen

  • het Hindi
  • het Duits
  • het Catalaans
  • het Swahili
  • het Nederlands
  • het Frans
πŸ’

Metalen

  • het goud
  • het ijzer
  • het zilver
  • het brons
πŸ“š

Woorden op -isme

Woorden op -isme zijn bijna altijd het.

  • het socialisme
  • het taoΓ―sme
  • het kapitalisme
  • het toerisme
πŸ’­

Abstracte begrippen

Veel abstracte woorden zijn het-woorden.

  • het weer
  • het geluk
  • het probleem
  • het idee
🧱

Woorden met ge-, be-, ver-

Veel zelfstandige naamwoorden met ge-, be- of ver- zijn het-woorden (niet altijd, maar vaak).

  • het gebouw
  • het gezicht
  • het bezoek
  • het verkeer

Korte samenvatting